Armelui rondom de kachel
Een verhaal van Chaim Grade,
vertaald door Jan Jonk de Koning

Eljokem Pap herkende in de binnengekomen lieden met hun lemige gezichten en hun dunne vlasbaardjes de waterdragers uit het stadje. Een klein mannetje trok met zijn been en strompelde alsof hij twee volle emmers water droeg. Een ander met een ingevallen gezicht en een paar lange benen liep als op stelten. Een derde, zonder tanden in zijn mond, glimlachte voortdurend een beetje onnozel. De waterdragers droegen grote, zware schoenen, hun heupen omgord met touw, watten staken uit hun jas en op hun omgorde borst droegen zij hun vermogen: droog brood, blikken kannen voor warm water en smerige vodden. Er kwamen ook mannen binnen om gebeden uit te spreken, mannen met verwilderde baarden, die de slaap nog in hun ogen hadden nadat ze de hele nacht bij doden hadden gewaakt. Ze droegen winterpetten met hangende oorkleppen, net grote oren van bosdieren. ‘D’r ontbreekt nog een doodgraver aan!’ bromde Eljokem Pap, en ja, alsof hij de duivel op zijn staart trapte stond daar opeens een doodgraver. Z’n hoofd en handen beefden de hele tijd, en al kon hij geen graven meer delven, een borrel drinken en grappen maken kon-ie nog altijd. Er kwam ook nog een bankroete winkelier bij het gezelschap, die een platte pet droeg met een vervormde klep. Bij de kachel stond hij steeds te lachen terwijl hij met zijn handen zwaaide om te laten zien hoe vrolijk hij was. Ach, iedereen wist dat de grossiers hem geen cent krediet meer gaven. Er kwamen ook lui die Eljokem niet te min maar ook weer niet te verheven achtte voor de Stille minje. Een heel klein mannetje met hoge vilten laar­zen, met een baardje en vriendelijke oogjes bleef bij elke lezenaar staan waar een Talmoedist boven een heilig boek stond te wiegen en stelde steeds weer dezelfde vraag ‘Goedemorgen, reb, ik wil u niet storen onder het lernen, ik wil alleen weten wat de wet zegt: wordt de jaartijd gerekend vanaf de sterfdag of vanaf de dag van de begrafenis?’ Een andere jood, groot, met een stralend gezicht en een zilveren baard, stampte vreselijk met zijn schoenen. Hij liep van de ene lezenaar naar de andere om zijn bril te zoeken, die boven op zijn voorhoofd zat. Ooit deed hij als baas grote zaken, rookte sigaren en schonk de mooiste aalmoezen. Sinds kort was hij een seniele oude man. Zijn kinderen waren hem al meer dan eens op de binnenplaats van de sjoel komen zoeken, omdat hij de weg naar huis niet meer wist en aan het dwalen was...

De volledige tekst van dit verhaal is te lezen in Grine medine nummer 73.

 

Losse nummers (10 €) zijn per e-mail of telefonisch te bestellen bij het secretariaat - zie de gegevens onder in de balk. Donateurs van de stichting Jiddisj (vanaf 30 € per jaar) ontvangen Grine Medine zonder verdere kosten thuis.



 



Laatst bijgewerkt op 20-01-2020