J. L. Perets: Pandemie
Uit GM-74 (in de vertaling van Justus van de Kamp)

Angst overvalt het stadje

‘Het komt er aan! O God, het komt steeds dichterbij, ’t heerst al in de dorpen. Je bent je leven niet zeker, Gottegottegot, wat moeten we?’ Leg de duivel geen woorden in de mond: de naam van de plaag zal niemand over de lippen laten komen. Maar de angst drukt als lood op ieders hart. Dag na dag zijn de berichten erger: In Apt is een waterdrager midden op straat bezweken, met emmers en al. In Ostrowiec heeft men twee joden met een lijkschouwing opengesneden! In Bratków zit een arts met een student uit Warschau. Rachów is van de buitenwereld afgesloten: nie­mand komt er in of uit. Radom is omsingeld door een linie Kozakken en in Sandomierz, zeggen ze, sterven de mensen bij bosjes. Goeie hemel! De handel neemt af, de vroomheid toe. Graankopers durven niet meer op stap. Grote Josl heeft z’n paard en wagen al verkocht: waarom nog haver verspillen? De graanmakelaartjes trekken elke dag hun gordel strakker om hun lege maag. Huizen worden steeds ruimer: elke vrijdag wordt er weer wat naar de lommerd gebracht voor sjabbes. De werkman, zelfs de brave huisvader pakt een extra neutje om het leven aan te durven. Maar daar kan de kroegbaas niet van leven, want boeren laten zich in het stadje niet meer zien.
   Wel heeft de vrouw van de kwakzalver, onze heelmeester, haar pruik weggedaan en draagt ze nu een hoofddoek. Een stille modernist heeft openlijk Mapoes Zionsliefde verbrand en zegt nu psalmen. De badvrouw kwam bij de rabbijn, ze wilde een boete opgelegd krijgen. Ze had elke vrijdag door een spleet naar de mannen gegluurd. Een jongeman, wiens naam we niet zullen noemen, vast al de hele maand en overweegt om kluizenaar te worden. God mag weten voor welke zonde. Verschillende kleermakers komen de overschotten stof terugbrengen die ze zich hadden toegeëigend. Slagers geven opeens betere stukken vlees. Alleen Jeroechem de woekeraar houdt zijn rug recht. Hij vraagt niet minder dan tien procent per maand mét een banbrief én een onderpand. Die durft tenminste. Zijn hart: een kiezelsteen.
   Bleke, gelige gezichten. Blauwe lippen, grote, ronde ogen. Hoofden gebogen. Stil op straat. Een groepje hier en daar. Mannen hier, vrouwen daar. Gesprekken zonder geluid, koppen knikken, armen zwaaien. Vochtige ogen gericht op de loodgrijze hemel die over het stadje hangt. Stil is het ook in het sjoeltje, het leerhuis, bij middag- en avondgebed. Vol is daarentegen het vrouwenbalkon, zelfs bij middag- en avondgebed. Steeds breekt een hartverscheurend gesnik door de spijlen van de vrouwengaanderij, zó dat bij de mannen de haren recht overeind gaan staan. Elke avond is het Kolnidre: men baadt zich in tranen.
   Wat te doen? Waar is goede raad?
   In Warschau, zeggen ze, hebben ze voor de armen theehuizen geopend en een gaarkeuken. Kolen, kleding, eten wordt er uitgedeeld. Gojse maatregelen! Na-aperij van de christenen, vast wel bedoeld om de gouverneur te behagen! Hier hebben we andere goede doelen: het Meier Bal-Nes-busje, wonderrebbes. En ook echte remedies: meteen na sjabbes de kaarsen op de vensterbank zetten. Buiten het stadje staat de molen van Wasily. In de nacht zal zijn waterschot ontvreemd en op de joodse begraafplaats ter aarde besteld worden. Een weesjongen en een weesmeisje zullen getrouwd worden. Er zal gesmeekt worden bij graven en bij de heilige arke. Helaas zijn dit alles eeuwige zaken; toch groeide bij de eerste plaag, in 1830, het marktplein dicht met gras. Er bleven een paar door de doodgravers platgetreden paadjes. Trouwens, veel erger dan de plaag zijn de maatregelen: desinfectie, isolatie en, God verhoede: obductie, lijkschouwing! De mens leeft niet eeuwig en sterven doet-ie maar eens, maar leven en dood zijn in de hand van de Barmhartige Heer. Wat wél helpt, is jammeren, smeken, boete doen; weldadigheid is een remedie. Al dat andere is in gojse handen. Ze zetten je de duimschroeven aan en knijpen je uit, het kost je geld, bloed, zweet en tranen en alsof dat nog niet genoeg is: ze snijden lijken! Ze snijden ze godbetert aan stukjes en het begraven gebeurt zonder lijkkleed, in teer. Dan in het ziekenhuis, daar geven ze allerlei vergif. Ze verbranden onschuldig beddengoed, sluiten woongebieden af met behulp van Kozakken zodat iedereen mag sterven van de honger, of de een de ander opvreet.
   Poeh! We moeten aan de slag, we mogen de vijand de stad niet in laten! De kaarsjes staan al in het raam, er wordt al geloerd naar Wasily’s molen, er wordt gesproken over het trouwen van twee wezen. De vrees groeit van dag tot dag. De hoop was dat het gevaar over zou gaan met de zomer, gelijk met de hittegolf… En ja, voorbij zijn inmiddels de Ontzagwekkende Dagen, voorbij is, goddank, Loofhuttenfeest. Kou kruipt al in de botten, de eerste sneeuw is al gezien. Maar de plaag komt al dichter- en dichterbij. God behoede ons!
...

Het vervolg van dit lange verhaal van Perets kunt u lezen in Grine medine nr. 74.

Losse nummers (10 €) zijn per e-mail of telefonisch te bestellen bij het secretariaat - zie de gegevens onder in de balk. Donateurs van de stichting Jiddisj (vanaf 30 € per jaar) ontvangen Grine Medine zonder verdere kosten thuis.



 



Laatst bijgewerkt op 17-07-2020