Opatoshu, Dembitzer en Mayzel in de zomer van 1931
Uit GM-72 (door Mirjam Gutschow)

Josef Opatoshu (1886-1954) was in 1907 naar Amerika geëmigreerd. Hij was een van de weinige Jiddisje schrijvers die van het schrijven konden leven. Regelmatig keerde Opatoshu terug naar Oost-Europa om lezingen te geven en contact met zijn lezerspubliek te houden. Ook in 1931 verbleef hij enkele maanden in Europa. In dat jaar verscheen namelijk deel twaalf van zijn verzamelde werken bij Kletskin in Wilna. De titel van het meer dan veertig novellen omvattende boek was Klasnkamf. (Het boek wordt in de Literarisje bleter nr. 28 aangekondigd in de rubriek Naje bicher, p. 544. Het is dan dus net uitgekomen.)

Vanuit Warschau reisde Opatoshu naar Nederland. In Den Haag vond namelijk van 22 t/m 24 juni 1931 het negende internationale P.E.N.-congres plaats. En Opatoshu was afgevaardigde namens de afdeling New York van de P.E.N.-club: De Jiddisje afdeling was onderverdeeld in Wilna, Warschau en New York. De deelnemers van het congres kregen na afloop de mogelijkheid om op 25 en 26 juni Amsterdam en omstreken te bezichtigen. Over zijn bezoek aan Amsterdam schreef Josef Opatoshu de korte schets In Amsterdam (gepubliceerd op 28 juni 1931, herdruk en vertaling in Grine medine 43). Na Opatoshu’s terugkeer naar Warschau verscheen in de Literarisje bleter een soortgelijke schets, hoewel het zwaartepunt hier net iets anders ligt. (“Jidn oen Jiddisj in Holand. Foen a sjmoeës mit J. Opatosjoen” in Literarisje bleter no. 32, 7 augustus 1931, p. 611f.)

Na het P.E.N.-congres reisde Opatoshu terug naar Warschau. Hij had drie uur overstaptijd in Berlijn. Hier ging hij naar het beroemde Romanisches Café – het café waar schrijvers, journalisten en bohemiens elkaar graag troffen. Hij vroeg daar naar Salamon Dembitzer, die er niet was, en genoot van de roddels over hem. Met Salamon Dembitzer (1888-1964) hebben de lezers van Grine Medine in nummer 71 kennis kunnen maken. Ter herinnering: hij was een schrijver-journalist, afkomstig uit de buurt van Krakau. Zijn vormende jaren bracht hij in Antwerpen en Kassel door. Tijdens de Eerste Wereldoorlog woonde hij in Nederland, daarna verhuisde hij – naar het leek voorgoed - naar Berlijn. Begin 1933 vluchtte hij naar Holland. Het lukte hem om via België en Portugal de V.S. te bereiken. Zijn eerst boek verscheen in 1908, gedichten in het Jiddisj, gedrukt in Latijnse letters. Weliswaar verdiende Dembitzer zijn brood als journalist, maar zelf voelde hij zich een ‘echte’ schrijver. Hij publiceerde novellen en drama’s in het Duits. Als journalist werkte hij o.a. voor de Vorwärts (Berlijn), Berliner Tageblatt, Arbeiter Zeitung en Die Welt am Montag (hier was hij ook mederedacteur). In 1930 verschenen zijn roman Bummler und Bettler, het drama Wohlfartsamt en drie nummers van zijn tijdschrift Die Clique. Een jaar later publiceerde hij het boekje Abrechnungen met daarin drie eerder in kranten verschenen verhalen. Het lijkt alsof hij eindelijk is ‘gearriveerd’. In deze zomer van 1931 reisde Dembitzer door Polen, waarschijnlijk om zijn Bummler und Bettler aan de man te brengen. In Warschau was hij op 11 juni 1931 te gast bij de redactie van de krant Haint, zoals blijkt uit een kort berichtje in die krant. In die stad had hij natuurlijk ook contact met Nachmen Mayzel en Josef Opatoshu. De schrijver, redacteur, uitgever en cultureel activist Nachmen Mayzel (1887-1966) was van 1925-1938 redacteur van het weekblad Literarisje bleter. In de Literarisje bleter werden prompt twee teksten van Dembitzer afgedrukt: in no 26 Hamsun (p. 497, eerder in Clique 1, mai 1930) en in no 28 Main feter (p. 537-539, oorspronkelijk in 1922 verschenen als Mein Onkel, herdrukt in 1931 in Abrechnung).

Op 20 juni, nog steeds in Warschau, machtigt Dembitzer Nachmen Mayzel zijn boeken te laten vertalen, of naar het Jiddisj of naar het Pools. Hij vraagt Mayzel om zijn drama aan een theater te verkopen. Tantièmes mag Mayzel naar eigen inzicht houden. Afgesproken wordt dat twee van Opatoshu’s boeken vanuit de redactie van de Literarisje bleter naar Dembitzer in Berlijn worden gestuurd: Di tentserin en 1863. En ook Osjer Lemlen, een drama van Arn Glants-Lejeles. Blijkbaar gaat er iets mis. Opatoshu zoekt het uit en belooft in een brief van 6 juli dat de boeken desnoods nog een keer opgestuurd zullen worden. Tegelijkertijd vraagt hij Dembitzer om een gunst: hij wil graag Bummler und Bettler hebben.

  
zie hier de uitgeschreven Jiddisje tekst


6/VII/31

Mijn beste Dembitzer,

Wat een pech. Ik heb uw brief aan de administratie laten zien. Ze hebben u gestuurd: "Di tentserin", "1863" en het drama "Osjer Lemlin" van Lejeles. De boeken zijn aangetekend verzonden. Vandaag informeren ze bij de post. Als er binnen een dag of drie, vier geen antwoord komt, stuur ik u andere exemplaren.

Groeten uit Holland. Er zijn daar geen getalenteerde schrijvers. Ze kennen u daar.

Op de terugreis was ik drie uur in Berlijn. Ik was in het Romanisches café, heb het over u gehad. Het feit dat u veel vijanden hebt doet me genoegen, graag zou ik uw boek "Bummler und Bettler" willen lezen. Stuurt u het, als u kunt.

In vriendschap,
uw
J. Opatoshu

Schrijf!

Dembitzer stuurt het gevraagde boek. Opatoshu leest het in één ruk uit en is heel lovend. Hij beveelt iedereen het boek aan. Tegen Mayzel zegt hij dat het in het Jiddisj vertaald moet worden. Ook belooft hij als hij weer terug is in New York met een krant over eventuele publicatie te zullen praten. Voor zover bekend, is er echter nooit een vertaling van Bummler und Bettler in het Jiddisj verschenen.

Ook Opatoshu heeft de Tentserin niet geheel belangeloos gestuurd. In een tweede brief vraagt hij Dembitzer om te proberen het boek in Duitsland uit te laten brengen. Van zijn verhaal Lintsjerai denkt hij dat het goed aan een Duitse krant verkocht zou kunnen worden. Verder vraagt Opatoshu om een brief of levensteken van Dembitzer. Dat komen we vaker tegen in de correspondentie met Dembitzer.

    

zie hier de uitgeschreven Jiddisje tekst

16/VII/31

Mijn beste Dembitzer,

Ik heb uw "Bummler & Bettler" in één ruk uitgelezen. De vorm is oud, het is eerder beschreven dan geschreven, en toch laat het je niet los, het ademt iets nieuws uit. Misschien zit het hem in uw artistieke oprechtheid? Dit boek, zei ik tegen Mayzel, moet in het Jiddisj vertaald worden. In het najaar zal ik het er misschien met een krant in New-York over hebben. Tot dan blijf ik het aan iedereen aanbevelen.

Hoe gaat het ermee, Dembitzer? Ik zou u dankbaar zijn als u een uitgever voor mijn "Di tentserin" kon vinden. Ik denk dat mijn verhaal "Lintsjerai" best wat voor een Duitse krant zou zijn.

Schrijf een paar woorden. Tot 1 augustus blijf ik in Warschau. Ik zal u onderweg schrijven.

Met vriendschap,

uw

J. Opatoshu

Mijn New-Yorker adres op de tweede bladzijde:
Vanaf oktober 1931 is mijn adres:
J. Opatoshu
1791 Prospect Ave
Bronx, New-York

De Tentserin en Lintsjerai zijn voor de oorlog niet in het Duits verschenen. Dit in tegenstelling tot Opatoshu’s boeken Der letzte Waldjude (Jiddisj: Poilisje welder, vert. 1928), Der Aufstand (Jiddisj: 1863, vert. 1929) en zijn verhalen Gericht über ‘Judas’ (Der misjpet uit de cyclus Aroem di choerwes), Der Klan (Faierdike tslomim uit de cyclus Lintsjerai) en Im Exil (In goles uit de cyclus Lintsjerai - alle drie vertalingen in het tijdschrift Menorah in 1927 resp. 1929). Of, en zo ja, wat Dembitzer geantwoord heeft, is niet bekend.

Op 1 oktober komt Opatoshu aan in Berlijn, hij is dan wellicht op de terugreis naar New York en ook Dembitzer is allang terug van zijn reis. Opatoshu nodigt Dembitzer per briefkaart uit de volgende ochtend naar zijn hotel te komen.

  

I/X 1931 

מײן ליבער דעמביצער

כ'בין הײנט אנגע-
  קומען קײן בערלין. אױב
  איר האט צײט בעט
  איך מאָרגען אַרײן צו
  מיר. אַ זײגער עלף
  אין דער פֿרי
.

Kant Hotel Kantstr 
54, צימער 21

אײער,

י. אָפאַטאָשו

Dembitzer heeft de kaart op zijn jarenlange vlucht door Europa bewaard, maar wij weten niet of hij de uitnodiging heeft aangenomen. Er is ook niets bekend over een contact tussen de twee schrijvers in latere jaren, bv. toen Dembitzer probeerde een Amerikaans visum te bemachtigen of gedurende zijn diep ongelukkige jaren in Amerika. Brieven van Nachmen Mayzel aan Dembitzer zijn niet bewaard.

Zo eindigt de zomer van het jaar 1931 waarin de wegen van Salamon Dembitzer en Josef Opatoshu elkaar kruisten. Dankzij een paar bewaarde brieven hebben we hiervan een glimp kunnen opvangen.


Losse nummers (10 €) zijn per e-mail of telefonisch te bestellen bij het secretariaat - zie de gegevens onder in de balk. Donateurs van de stichting Jiddisj (vanaf 30 € per jaar) ontvangen Grine Medine zonder verdere kosten thuis.



 



Laatst bijgewerkt op 16-07-2019